|
Clubblad
- Voorbeeld van artikel
 onder
het spinrag weggehaald...
(11) Robert James Fischer (1972-1975)
Het zal je maar overkomen in de rij
wereldkampioenen schaken een bijdrage te moeten schrijven over Bobby Fischer.
Rond deze vaak erg omstreden figuur werd en wordt nog steeds zeer veel zin en
onzin neergepend. De moeilijkheid namelijk is dat de meeste onder ons erbij
waren, het verhaal mee beleefd hebben. Je kan er nauwelijks nog toe komen iets
nieuws aan de bestaande literatuur toe te voegen, en juist dat was een
bijkomende bedoeling van deze reeks.
Elke schaakspeler zal zich beslist
aansluiten bij de velen die zich realiseren dat Bobby Afscheer een absoluut
verbazende man was en nogal is. Behalve talloze schaakexploten heeft (had) hij
een astronomisch hoog I.Q. en zo bij schaken niet noodzakelijk dan toch
bijzonder behulpzaam. N iemand in de gehele schaakwereld heeft zich zo toegewijd
aan schaken als Bobby Afscheer. Hij is algemeen erkend als de grootste schaker
ooit.
Robert James Fischer werd geboren in
Chicago (Illinois) op 9 maart 1943. Zijn ouders scheidden in 1945 en het jaar
nadien verhuisde zijn moeder met haar beide kinderen – Bobby had nog een ouder
zusje – naar Brooklyn. Toen de kleine Fischer zes jaar oud was kreeg hij set
schaakstukken en een bord. Hij verdiepte er zich bijna letterlijk in en dat was
het begin van een legende. Niemand zal er ooit in slagen in enkele zinnen zijn
carrière, van beginner over grootmeester naar wereldkampioen te schetsen. Toch
maar proberen, anders wordt het azllemala te lang en te breed.
Op zijn twaalfde begon Fischer de grote
“Manhattan Chess Club” te bezoeken Daar zaten de beste schakers van de Verenigde
Staten en zelfs die slaagden er niet altijd in te winnen van een talentrijke
knaap. Op zijn dertiende versloeg Bobby Fischer IM Donald Byrne in wat ook al
algemeen opgetekend werd als de “Partij van de Eeuw”. Nooit voordien, schreef
biograaf Pandolfini, speelde een jonge knaap de winnende zetten met zoveel
doorzicht. “Schaken werd zijn hele leven”, aldus een jarenlange vriend van Bobby
Fischer, “In zekere zin beschermde schaken hem tegen de ganse wereld”.
Met veertien jaar won hij het US Junior
Championship, een hele prestatie voor zo’n jongen. Maar sterker nog: datzelfde
jaar won hij het US Senior kampioenschap, tegen niemand minder dan Samuel
Reshevsky. Een jaartje later werd hij de jongste IGM aller tijden. Ook die grens
werd inmiddels enkele keren verlegd. Een paar Russische kinderen hebben het
inmiddels al zo ver gebracht.
Toen Fischer zestien werd, hij was in staat
enkel van schaken te leven en een rij organisatoren wilden hem onvoorwaardelijk
inlijven. De enige stappen, die af te leggen bleven, waren die naar de
kandidatenmatchen en naar het uiteindelijke doel: de wereldtitel. Dat die al zo
lang in het bezit was van de Sovjetunie, volgens Fischer ’s werelds grootste
vijand, stak hem al lang de ogen uit.

De jonge
Bobby Fischer, vijftien jaar oud.
In 1971 was het al zo ver. Toch had het nog
vroeger gekund, maar Fischer versloeg toen zichzelf met een aantal regels van
religieuze oorsprong, die hij niet wilde overtreden. Maar ook dàt tekende
Fischer: hij boog niet, voor niets of niemand. Wat hij dacht te moeten doen,
deed hij ook en niemand die hem daarvan kon afbrengen. Zeker niet als het om een
samenzwering ging, die hij (terecht) meende te zien bij de Russische
grootmeesters.
In de match van de eeuw Spassky-Fischer,
1972 in het IJslandse Reijkjavik, ging Boris Spassky, misschien vooral mentaal,
ten onder. Maar ook omdat Fischer beter was, meer gedreven, fanatiek. Hij werd
de dertiende wereldkampioen.
Meteen verdween hij uit het circuit, heel
merkwaardig genoeg net zoals zijn negentiende eeuwse landgenoot Paul Morphy.
Fischer’s geldelijke voorwaarden werden ongemeen hoog, te hoog voor vele
organisatoren van grote toernooien. Hij had zijn doel bereikt: de hegemonie van
de Sovjets was gebroken en hij had zijn land een eerste wereldtitel geschonken.
In 1975 verwierp de FIDE Fischer’s eisen
voor de tweekamp om de wereldtitel Anatoly Karpov kreeg de kroon in de schoot
geworpen. Fischer verdween twintig jaar van het toneel, verhuisde naar Europa,
nu weer hier, dan weer ginder, vooral in Midden-Europa. Hij knutselde een nieuw
soort schaakklok in mekaar, vond een “Fischer Random”-variant op het schaakspel
uit, en moet toen ook ooit eens in Brussel opgedaagd zijn, waar hij enkele
partijtjes heeft gespeeld.
In 1992, twintig jaar na de match van de
eeuw in Reijkjavik, kwam het tot een revanche van de match Fischer-Spassky, die
gespeeld werd op Joegoslavisch grondgebied, zeer tegen de zin van de Amerikanen,
die stelden dat Fischer de sancties van de V.S. tegen Joegoslavië daarmee
verbroken had, wat gelijkstond met landverraad. De gewraakte match werd een
19-12 winst voor Fischer, die drie miljoen dollar rijker werd, maar dat bedrag
zag verdwijnen in de bodemloze put van zijn religieuze vereniging.
Fischer werd van nationale held tot gezocht
persoon en de (schaak)wereld leerde een heel andere Fischer kennen: een
antisemitische anti-Amerikaan, die ondermeer de aanvallen van 11 september
verdedigde, via een radiozender in Manilla (Filippijnen) “zijn” V.S. wilde
uitroeien, de Joden beschreef als stelende liegende bastaarden, terwijl tussen
haakjes zijn moeder zelf joods was. De C.I.A. bestond uit “ratten, die voor de
Joden werkten”. En het vervolg van het verhaal, aldus journalist Rene Chun, was
“Bobby Fischer’s pathetische Eindspel”.
Dat van die radiozender (DZSR Sport Radio)
dateerde van juli-augustus 2001. Het was een station met enige vrije uren en
Fischer vulde die op. Het was schokkend, maar volgens Manilla geen enkele reden
om hem op verzoek van de V.S. uit te wijzen. Fischer bezocht de Filippijnen een
laatste keer in 2003. Toen de grond hem toch wat te heer werd onder de voeten
week hij uit naar Japan en bleef de autoriteiten, die hem zochten, een halve
slag voor. Uit angst door de gehate CIA gegrepen te worden, dook Fischer in
Japan onder, maar speelde er wat schaak en werd opgepakt. Tot een uitlevering
aan Amerika kwam het niet, want zijn paspoort werd vernietigd – wie dat deed is
bijzaak! – en een “statenloze” mocht aan niemand worden overgemaakt. Maar
daarmee zat de statenloze Fischer vast in Japan, een vreemd land voor een
zwerver. Dat duurde niet lang, want IJsland reageerde op de vele verzoek van
schaakliefhebbers op de wereld, Boris Spassky himself op kop, en zond naar de
Japanse autoriteiten een paspoort voor ene Robert James Fischer. waarmee hij
zich in IJsland kan vestigen.
Maar daarmee is het eindspel in de partij
“Fischer versus U.S.A.” nog niet uitgespeeld. Vermoedelijk zal de CIA het niet
laten zitten en Fischer blijven opjagen als een eenzame koning over alle velden
van het bord, in de hoop dat hij ooit eens achter een giftige pion verschuilt en
daar wordt afgevangen. Wordt dus vervolgd…

De oude Robert J. Fischer, 62
jaar,
Ergens tussen Japan en IJsland
Het
uitzonderlijke brein van Bobby Fischer
Wat
er in het brein van Fischer aan machinaties zo allemaal omgaat is een
onderwerp, dat vele schaakspelers altijd zal intrigeren. Politieke
wetenschappers van de universiteit van Brooklyn, waar Fischer studeerde,
hadden de gelegenheid om Fischer’s persoonlijke gegeven te bestuderen en
verzamelden heel wat materiaal, anekdotisch en ander. Fischer had een IQ
(intelligente quotum) van 180 en was dus een “zeer hoog genie”.
Op
een ochtend telefoneerde hij naar Frederik Olaffson, een IJslandse
grootmeester. Maar die was niet thuis en dochter Olaffson, aan de andere
kant van de lijn, sprak enkel maar IJslands. Daar kende Fischer geen snars
van en hij begreep dus helemaal niet wat het meisje vertelde. Hij
verontschuldigde zich, legde de hoorn neer en ontmoette later op de dag een
IJslands speler, die een flinke mond Engels sprak. Na enige toelichtingen
over het telefoongesprek herhaalde Fischer woord voor woord in het IJslands
wat hij had gehoord aan de telefoon. Hij deed dat zo correct, dat zijn
gesprekspartner alles begreep en in keurig Engels kon omzetten!
In
1963 speelde Fischer het New York State Open Championship, dat hij won.
Tijdens de laatste ronde stond hij enkele seconden lang te kijken naar een
lastig eindspel dat Frank Meyer te verwerken kreeg. Maanden later
ontmoetten Fischer dezelfde Meyer opnieuw en vroeg hem hoe die laatste ronde
was afgelopen. Meyer antwoordde dat hij die partij gewonnen had, maar erg
moeilijk, waarop Fischer vroeg “Heb je Df5 gespeeld?”, waarop Meyer zei dat
hij het zich niet meer herinnerde. Onmiddellijk zette Fischer een bordje met
stukken op en demonstreerde er de variant, die ik gespeeld zou moeten hebben om een snellere winst te
verzekeren. Toen Meyer dit verhaal vertelde, zei hij meteen: “Het sterkste
is dat hij zich niet alleen de positie herinnerde, maar stap voor stap ook
de gehele analyse die zich in mijn geheugen had afgespeeld, toen ik maanden
geleden aan dat bord zat”.
® Van
Fischer zei men dat hij nooit een partij, die hij had gespeld, of een
analyse, die hij had gelezen, vergat. Hij herinnerde zich de meeste
snelschaakpartijtjes, waarin de spelers elk amper vijf minuten tijd krijgen.
Na de wereldkampioenschappen snelschaak in Joegoslavië 1970, rammelde
Fischer alle zetten af van de 22 partijen, die hij had gespeeld. Dat waren
dus over de 1.000 zetten!
®
Vijftien jaar nadat hij in Moskou ooit een partij speelde tegen Evgeni
Vasjukov ontmoette Fischer zijn tegenstrever van weleer en toonde hem een
volledig blitzpartijtje dat beiden toen hadden gespeeld. Een andere speler,
die toekeek vertelde dat Vasjukov’s mond openzakte en vele tellen lang open
bleef, zo verbouwereerd stond Vasjukov erbij te glarieogen.
Het
is duidelijk dat Fischer’s breinkwaliteiten hem bijzonder goed van pas
kwamen in het produceren van zijn schaakbezigheden. Maar noch zijn I.Q.,
noch de capaciteit van zijn geheugen hadden van enig nut geweest zonder die
ene laatste kwaliteit: zijn overheersende wil om te winnen! Zijn
competitieve honger was onverzadigbaar. Wat hij ook speelde, baseball in de
hof, tennis, hij zou er beter uitgekomen zijn dan gelijk wie anders. Als
Fischer naast een zwembad was geboren, had hij evengoed zwemkampioen kunnen
worden. De jongen uit een arme familie en zonder vrienden, had een dwingende
nood aan domineren, aan winnen, en schaken was zijn uitweg.
i.van
De “Partij van de Eeuw”
Een partij uit het rijke repertorium Van
Robert J. Fischer hengelen is al even lastig als een originele tekst rond een
alleszins kleurrijke figuur bij mekaar te schrijven. Je kiest en vijf, zes uit
en weet dan nog geen keuze te maken. De Fransen, met hun eigen bedenkingen,
hebben het dan over “L’embarras du choix”. Eén van Fischer’s grote momenten
beleefde men tijdens het kampioenschap van de V.S. in 1966, waar Fischer tegen
dezelfde Robert Byrne aantrad, die zeven jaar voordien door de 13-jarige Bobby
voor de eerste keer werd verslagen. Blijkbaar was Byrne nog altijd onder de
indruk.
Wit: Robert Byrne – zwart: Bobby Fischer – kampioenschap USA
1963/64 - Koningsindisch
1.d4, Pf6; 2.c4 g6; 3.g3 c6; 4.Lg2 d5;
5.cxd5 cxd5; 6.Pc3 Lg7; 7.e3
Alhoewel 7.Pf3 meer gebruikelijk is, zal de
tekstzet meestal evenwaardig blijken.
7…0-0; 8.Pge2
Pc6; 9.0-0 b6; 10.b3 La6; 9.La3 Te8; 12.Dd2
Ziet er allemaal niet zo slecht uit, maar
een beetje kleurloos en afwachtend. Wit staat hier eigenlijk het initiatief af.
Beter ware 12.Tac1, waarop 12…e5 wegens 13.Pxd5! niet goed zou zijn.
12…e5
Veel actiever dan 12.e6, wat naar een
zekere remise zou hebben geleid. De zet brengt weliswaar een verzwakking van de
zwarte damepionnen mee, maar dit nadeel weegt niet op tegen de grotere
activiteit van de zwarte stukken.
13.dxe5 Pxe5; 14.Tfd1?
Zwart had er beter aan gedaan 14.Tad1 te
spelen. De tekstzet is een beslissende fout, maar die moet zwart nog zien uit te
buiten. Op 14.Tad1 had er voor wit geen onmiddellijk gevaar bestaan, zelfs al
heeft zwart de meer open ruimte.
14…Pd3
Het was deze zet, die een slag in het water
had geweest, indien wit de andere toren op d1 had gebracht.
15.Dc2
Dit verwacht men allerminst van een speler
van het gehalte van Byrne. De tekstzet voert regelrecht naar de nederlaag. Wit
stond er al niet te mooi voor en eigenlijk had b.v. 15.Pd4 Pe4 16.Pxe4 dxe4
15.Lb2 niet veel beter geweest, omdat het overwicht in de stelling, dat zwart
had, na 17…Tac8 nog nadrukkelijker wordt.
15…Pxf2!!; 16.Kxf2 Pg4+; 17.Kg1 Pxe3;
18.Dd2 Pxg2!
En niet 18…Pxd1? Waarop wit na 19.Txd1 nog
echt goed voor de dag zou zijn gekomen. De tekstzet berooft de witte
koningsvleugel van een zeer sterke beschermer.
19.Kxg2 d4!!
De sleutelzet van de gehele geweldig fraaie
combinatie.
20.Pxd4 Lb7+; 21.Kf1 Dd7
En zoals de lezer kan zien op het diagram
hierna zal wit verder op geen enkele hulpbron kunnen rekenen.
R. Byrne – R. Fischer
US Champ. 1963-64

Stand na 21…Dd7
Wit gaf de strijd hier op. Er dreigt
namelijk 22…Dh3+; 23.Kg1 Lxd4+; 24.Dxd4 (wat anders?) Dg2‡
- of 23.Kf2? DCg2‡
- of 23.Dg2 Dxg2‡.
De zet 22.Df2 biedt evenmin kansen: er volgt 22…Dh3+ 23.Kg1 en dan weer een
offer door Te1+!!; 24.Txe1 Lxd4+, gevolgd door mat of dame-verlies. Op 22.Pdb5
wint zwart met 22…Dh3+ 23.Kg1 Lh6; 24.Dc2 Le3+ enz.
Deze partij was één van die grootse
prestaties van Bobby Fischer en tegelijk een uitzonderlijke demonstratie van de
kracht van beide lopers op een open bord.
Of deze:
Donderslag van Fischer
In de tweekam:p Spassky-Fischer om de
wereldkroon, Reijkjavik 1972, kwam het in de zesde partij tot een vertrouwd
geworden beeld: Spassky verloor smadelijk. Nadat de uitdager een voor hem zeer
ongewone zet had gedaan, ontstond spoedig een orthodox damegambiet, en wel –
meer bijzonder – de Tartakower-variant. Spasski heeft deze stelling reeds vele
malen met zwart gespeeld. Fischer echter bij het weten van de commentatoren, nog
nooit met wit. Toch was het Fischer die de kneepjes van deze opening beter bleek
te beheersen en na de 21ste zet reeds had hij zijn tegenstander in
een vaste dwangpositie opgesloten. Toch duurde het tot de 41ste zet
voordat Spassky definitief werd mat gezet, maar dat kwam ook wel omdat Fischer
er zijn gemak van nam. Niemand dacht van Spassky dat hij zo over zich heen zou
laten lopen. Het krachtsverschil tussen de wereldkampioen en zijn uitdager kàn
niet zo groot zijn als men uit de laatste vier partijen, met stand 2-4, zou
kunnen besluiten.
Fischer (wit) – Spassky (zwart)
6° partij om de wereldtitel - Reijkjavik
1972
1.c2-c4 …
Een ‘donderslag’ noemden sommige
commentatoren deze zet. Fischer heeft de allerlaatste tijd deze zet meer
gespeeld o.a. in zijn partij met Panno in de laatste ronde van het interzone
toernooi Palma de Marjorca 1970.
1. … e7-e6
2.Pg1-f3 d7-d5
3.d2-d4 Pg8-f6
4.Pb1-c3 Lf8-e7
5.Lc1-g5 0-0
6.e2-e3 h7-h6
7.Lg5-h4
Gewoner kan het al niet. In tegenstelling
tot de 3e, 4e en 5e partij is er althans na de
opening een stelling op het bord gekomen, die reeds honderden malen gezien werd
op internationale wedstrijden.
7. … b7-b6
8.c4xd5 Pf6xd5
9.Lh4xe7 Dd8xe7
10.Pc3xd5 e6xd5
11.Ta1-c1 Lc8-e6
12.Dd1-a4 c7-c5
13.Da4-a3 ...
Alles reeds vele malen gespeeld. Wit
probeert tegen de z.g. ‘hangende pionnen’ te ageren. Het oordeel na meer dan 50
jaar ervaring is dat zwart niets hoeft te vrezen.
13. … Tf8-c8
14.Lf1-b5 …
Een nieuwigheidje in deze variant. Het
blijkt niet veel uit te halen.
14. … a7-a6
15.d4xc5 b6xc5
16.0-0 Ta8-a7
Na 16. … Pc6; 17.Lc6, Tc6; 18.Pd4,Tc7;
19.Pb3,d4; had zwart in het geheel geen problemen gehad, maar misschien speelde
hij al voor méér.
17.Lb5-e2 Pb8-d7
18.Pf3-d4 De7-f8
Wanneer wits 20ste zet inderdaad
sterk zou zijn, dan had zwart hier zorgvuldiger moeten spelen met bijvoorbeeld
18. … Pf8. Naar mijn mening is de tekstzet echter niet te laken.
19.Pd4xe6 f7xe6
20.e3-e4 …

Deze pion had zwart moeten nemen. Na
20.Dh3,Df6; 21.Lc4,Pf8; 22.Tce1, Tcd8; 23.b3, Td4 had zwart nauwelijks meer iets
hoeven vrezen. Ook 21. … Pf6 was nog altijd beter geweest dan de belabberde zet,
die zwart speelt.
20. … d5-d4?
Hiermede levert zwart zich uit. Hij zal
spoedig geen stuk meer kunnen verzetten en tot totale lijdzaamheid zijn gedoemd.
21.f2-f4 Dd8-e7
22.e4-e5 Tc8-b8
23.Le2-c4 Kg8-h8
Zwart moest iets doen tegen f4-f5.
24.Da3-h3 Pd7-f8
25.b2-b3 a6-a5
26.f4-f5 e6xf5
Anders komt f5-f6.
27.Tf1xf5 Pf8-h7
Er dreigde 28.Tf7, waarop nu 28. … Pg5 zou
volgen.
28.Tc1-f1 De7-d8
29.Dh3-g3 Tb8-b7
30.h2-h4 Tb7-e7
31.e5-e6 Ta7-c7
32.Dg3-e5 Dd8-e8
33.a2-a4 De8-d8
34.Tf1-f2 ...
Zwart kan toch niet anders doen dan heen en
weer spelen. Wit wil de toren op f3 hebben op het moment dat de zwarte dame van
het veld e8 wegspeelt. 34.Ld3 direct was twee zetten sneller gewonnen.
34. … Dd8-e8
35.Tf2-f3 De8-d8
36.Lc4-d3 …
De loper kiest nu de dodelijke diagonaal.
36. … Dd8-e8
37.De5-e4 …
Dreigt 38.Tf8+
37. … Ph7-f6
38.Tf5xf6 g7xf6
39.Tf3xf6 Kh8-g8
40.Ld3-c4 Kg8-h8
41.De4-f4 Zwart geeft op.
Dit is letterlijk het verslag van de zesde
partij om de wereldtitel in 1972 uit:
“Dagboek van een tweekamp – de match
Spassky-Fischer op de voet gevolgd door J.H.Donner”
|